13 Inkomsten
De eindjes aan elkaar knopen
Foto's genomen op het Ereveld KEMBANG KUNING te Surabaya. Hier liggen alle overledenen in de zeeslag op de Java-zee van de Koninklijke Marine en de Marine Luchtvaart Dienst.
Tot aan de Japanse capitulatie op 15 Augustus 1945 (volgens de in gebruik zijnde Japanse jaartelling dus het jaar 2605) werkte ik om voor thuis wat inkomen te verwerven, bij de Diëng sigarettenfabriek op de Kramatweg te Jakarta. In een open, uit hout opgetrokken en van houten velgen voorziene oeroude vrachtwagen, ging ik met nog enkele andere Indische jongens dagelijks op pad om her en der de pakken sigaretten af te leveren, bestemd voor de Japanse bedrijfsleiders bij diverse instanties en bij de Japanse officieren thuis.
Een altijd heersende doodsangst
Je moest iedere dag vroeg uit de veren, hoe laat je met je werk klaar was wist je nooit, en panne met de vrachtwagen 's avonds buiten de stad was een hachelijke zaak. Diverse roof- en moordbendes liepen er in de avond rond op de vrijwel doodstille weg van Jakarta naar Sukabumi.
Eenmaal is ons dat overkomen en ver van onze vrachtauto die met panne stond, gingen wij jongens, 'gewapend' met een stuk touw en een juten zak de rand van het ravijn op. Net uit het zicht op de weg, stapten wij in die juten zak, bonden het vast aan een boom en brachten zo de nacht, gedeeltelijk hangend in het ravijn, door. Dat valt behoorlijk tegen mag ik wel zeggen, want ‘s nachts had je het behoorlijk koud in dat bergachtige gebied! Onze Indonesische chauffeur Abdul zelf kon de nacht prinsheerlijk in de cabine van de vrachtwagen doorbrengen want hij had niets te duchten.
Sigaretten
Eenmaal in de week werden er uit een treinwagon op één van de stations in Jakarta, zware zakken met suiker en rijst opgehaald voor de sigarettenfabriek. Een deel van de suiker was bedoeld om samen met een essence de tabak te sauzen, een ander deel voor bij de koffie of thee voor het personeel tijdens schafttijd. Bovendien kregen de arbeiders tijdens het schaften nog een kommetje gekookte rijst zonder verder toebehoren.
Een heel enkele keer waren er op het
afgelegen rangeerterrein van zo’n treinstation Nederlandse
krijgsgevangenen aan het werk en als je het trof dat de Japanse
bewakers soepel waren, kon het gebeuren dat ze een oogje dichtknepen en dat we met de krijgsgevangenen even een praatje konden
maken.
Het dragen van de 60 of 70 kg zware zakken van onze
vrachtwagen naar het magazijn van de sigarettenfabriek vergde
veel van onze toch al schamele krachten. Je verdiende weinig en
om je inkomen wat op te vijzelen werden er 'samsam' met iemand
uit de fabriek, als de kust veilig was, losse sigaretten naar
buiten gesmokkeld om die aan een Chinese opkoper te verkopen. De
opbrengst verdeelden we dan onderling.
De sigaretten van het merk Kooa, Banteng, Siraho en Misuho waren een gewild artikel en de fabriek had een tekort aan fermentatietrommels voor het drogen en fermenteren van de tabaksbladeren. Geen nood, want diverse droogtrommels die gebruikt werden om de theeblaadjes te fermenteren, werden door ons — op bevel van de Japanse leiding — vakkundig gesloopt bij de theeonderneming Gunung Mas op de Puncak in West-Java en door ons op die open vrachtwagen bij de sigarettenfabriek Diëng te Jakarta afgeleverd.
Voorzien in het dagelijkse bestaan
Zoals eerder gezegd bewoonden mijn moeder en wij drie kinderen daar op Kramat bij Pasar Senèn een voorkamer in die hele grote dubbele woning en zat het huis volgepropt met andere Indische families.
Beide grote woningen hadden een heel grote voortuin vol klapperbomen waar wij — op bevel van de 'Jap' — diverse schuilkelders moesten graven als schuilplaats bij eventuele bombardementen door de geallieerde bommenwerpers. Die grote voortuin had ik 'geannexeerd' — uiteraard met toestemming van de drie oude zusjes als eigenaressen van die twee woningen — en beplant met vele tientallen singkong (cassave) plantjes, om er maanden later de knollen van te kunnen oogsten voor eigen consumptie. Mijn moeder had immers — net als vele anderen gedurende de Japanse bezettingstijd — geen inkomsten meer, dus de oogsten van die knollen waren zeer welkom.
Vrijwel alle moeders werden gedurende de
oorlogsjaren 'eigen spullenverkoopster' van beroep! Men verkocht
in die oorlogsjaren beetje bij beetje de spaarzame eigen spullen
die wij Indische Nederlanders nog bezaten, aan langslopende
opkopers om er eten van te kunnen kopen.
Natuurlijk was dat lang
niet voldoende en werd menigeen — met een Indonesisch woord —
'tjatoeter'! Tjatoeter was je, als je spullen van mensen (die ze
al hadden of intussen maakten) aan anderen met winst
doorverkocht om je inkomen wat op te vijzelen. Zo maakte
men, van eerst goedkoop verkregen stof en garen, bijvoorbeeld
jurken, tafelkleedjes, haak- en borduurwerk, en meer van dat
soort dingen. De tjatoeter verkocht ze dan voor hen tegen een
vooraf vastgestelde prijs. De winst die de tjatoeter daar
bovenop maakte was voor haarzelf.
Cassaveknol en -plant
Kokosnoten
De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik geen haar beter was, want ook ik was op gezette tijden een dief. Dan klom ikzelf in die grote tuin in één van de vele klapperbomen — die niet van mij waren — om er kokosnoten te stelen, daarvan klapperolie te maken en daar ons dagelijks eten mee te bakken en te braden.
Dat je dan hoog in de klapperboom een enkele keer een groene boomslang op je nek kreeg, was wel even schrikken maar niet erg, want giftig waren ze volgens mij gelukkig niet.
Tragisch gestorvenen alom
Het volgende verhaal is ronduit schokkend,
want bijna dagelijks zag ik 'letterlijk' de dood voor ogen. De
grote dubbele woning waarvan één voorkamer de onze was, lag op
het eind van een lange oprijlaan vol bomen, en het was er
stikdonker als ik ‘s nachts van mijn werk kwam. In die kruising
van wegen Kramat-Senen-Tanah Tinggi, stonden vele
winkeltjes met overdag veel winkelend publiek en daar bevonden
zich ook veel broodmagere bedelaars die op sterven na dood
waren. Als ik dan ‘s nachts thuiskwam, gebeurde het vrij vaak
dat ik in die donkere oprijlaan haast een doodsmak maakte, want
dan lagen daar één of soms zelfs twee dode bedelaars.
’s Morgens
in alle vroegte kwam dan een handkar van de gemeente langs die
de overleden bedelaars in een tikar (matje van
bamboevezels)

.jpg)