8 Vechtvliegeren
Hier in Maleisie wordt een Wau jala budi vlieger gemaakt. Het bamboe frame wordt bedekt met wit papier en dan versierd. Bron: Wikipedia
Vervaardigen van een vechtvlieger en glasdraad
Voor het maken van de vlieger werd behalve
bamboe voor het geraamte, gebruik gemaakt van wit papier gemaakt
van singkong (ketella rambat in het Javaans), de cassaveknol, om
het geraamte mee te bekleden. Dit soort papier genoot de
voorkeur in plaats van oliepapier, omdat het bij heel harde wind
niet inscheurde. De vliegers zelf kregen een bepaalde naam, al
naar gelang de tekening waarin ze waren ingekleurd. Het maken
van glastouw of glasdraad ging als volgt: ik kocht twee klossen
garen nr 30 — dun en toch ook bij harde wind sterk genoeg voor
de vlieger - van elk 500 yards voor zeventien en een halve cent
per klos.
Lang van tevoren was ik al bezig geweest om het glas
van een 10- of 20-tal kapotte gloeilampen in een stalen vijzel
zo fijn mogelijk te stampen. Tevens had ik een bruinachtige plak
‘kah’ gekocht voor een vloeibaar plakmiddel, dat je verkreeg
door het met wat water in een blikje op te koken. Als het wat
afgekoeld was, stopte je daarin het fijngestampte glas als
standaard recept. Elke zichzelf respecterende vechtvliegeraar
had zijn eigen 'geheime recept' om door toevoeging van enkele
'ingrediënten' het allerbeste glasdraad te kunnen maken. Je
zocht dan twee bomen of palen die op hooguit tien meter van
elkaar af stonden en stopte de klos garen in het mengsel van
'kah' met het gestampte glas. Na het begin van de draad om één
boom of paal vastgebonden te hebben, liep je achteruit met het
in het blikje inmiddels met lijm en glas nat geworden draad
tussen duim en wijsvinger en liet je het touw afrollen van de
ene paal of boom naar de andere. Na een kwartier was je glastouw
of glasdraad kurkdroog en kon je die om een groot rond
koekjesblik (of 5 liter margarineblik) winden. De binnenkant van
het blik had je inmiddels ook voorzien van een houten handvat.
Ikan sêpat
Gebakken ikan sêpat
Eens per jaar werden die vijvers — staande in
het water met een schepnet in de hand — door de eigenaar
leeggevist. Als ik daar lucht van kreeg, was ik er als de kippen
bij om hun een helpende hand te bieden. Als ik dan na afloop met
mijn intussen droog- en bruingeworden kleren weer thuiskwam, was
het zaak om, onopgemerkt door mijn ouders, schone kleren aan te
trekken. Onze wasmeid kreeg van mij de opdracht om de vuile
kleren snel te wassen en vooral mijn moeder niets te vertellen.
Ja, dat halfjaar dat wij in Tasikmalaya woonden, was een
onvergetelijke tijd voor mij.
