Dansend op onze trouwdag in 1954
Omstreeks 1952 was ik nog altijd in het bezit van een
fototoestel waar een negatief filmrolletje in ging, waar je
8 foto’s mee kon maken van het formaat 6 x 9 cm. Vervolgens
kwamen – althans bij ons in Indonesië – de eerste filmrolletjes
uit waarmee je kleurenfoto’s kon maken, wat een ongekende
sensatie was. Natuurlijk kostte het afdrukken van de foto’s wat
meer en hadden eerst alleen de betere fotozaken er de apparatuur
voor om deze foto’s in kleur af te kunnen drukken.
Je was er maar wat trots op om je kleurenfoto’s aan anderen te
laten zien, maar als je enkele jaren later je fotoalbum te
voorschijn haalde om deze foto’s nog eens te bekijken, schaamde
je je rot, omdat de foto’s pas enkele jaren later natuurlijker
van kleur werden. Je was toen al dik tevreden dat de kleur rood meer roodbruin
was en ook de andere kleuren waren nog lang niet ‘natuurlijk’
van kleur.
Waar je wel snel achter kwam was, dat je een foto niet in een
lijst moest zetten, want ze waren toen nog niet ‘kleurecht’ en
verbleekten als ze een paar maanden lang aan het daglicht waren
blootgesteld.
Toch waren de Chinese fotografen niet voor één gat te vangen. Haarscherpe, zwart/witte studiofoto's van een of meerdere personen tot op borsthoogte konden door de Chinese fotograaf waarheidsgetrouw worden ingekleurd zodat je - in die tijd - toch kleurechte foto's in je bezit kon hebben. De vraag hiernaar was groot want ingelijste vergrotingen konden gerust op het dressoir worden geplaatst of aan de muur gehangen zonder dat ze op de lange duur verbleekten door het daglicht.
Wandelen in Oost-Java in de buurt van Bondowoso.
Even uitrusten.
5 Fotografie
Oude camera's
Hier ben ik begonnen met wat later mijn hobby
zou worden: fotografie! Mijn vader had een Zeiss Ikon boxje met
een zeer eenvoudig lensje, waarbij je om een foto te maken, een
hendeltje moest bedienen. Om te weten wat je op de foto zo
ongeveer te zien kreeg, moest je door een dubbel raamwerk
kijken, bestaande uit twee ijzerdraadjes die je eerst aan de
bovenkant van het toestel uit moest trekken. Het voorste
vierkant was groter dan het achterste, dus als je van achter
naar voor door die vierkantjes keek, kon je ongeveer bepalen
welk gedeelte op de foto kwam. Tot vele jaren na de Tweede
Wereldoorlog, was ik nog in het bezit van dergelijke
'koekjestrommels', zij het nu zonder ijzerdraadjes, maar met een
kijkgaatje.
'Koekjestrommel'
Na een aantal jaren kocht ik dan telkens het
nieuwste model 'koekjestrommel', waarmee je alleen maar foto’s
kon maken met een lensopening 8 of 11 bij een sluitersnelheid
van 1/125 seconde of 'open lens' van een seconde of meer. Als
laatste 'ouderwetse' fototoestel had ik een Adox, een voor die
tijd vrij plat langwerpig modern geval in gesloten toestand,
waarmee ik veelvuldig foto’s heb gemaakt. Die moest je bij het
foto’s maken eerst openklappen, waarbij je gelijktijdig een balg
opentrok waar de lens aan vastzat. Dat toestel heb ik nu nog
steeds in mijn bezit.

Foto's gemaakt met oude camera
Langzaam maar zeker werden de fotorolletjes
en lenzen lichtsterker en werden de fototoestellen uitgerust met
een knopje, waardoor je foto’s kon maken bij een kortere
snelheid dan 1/125 seconde. Het fototoestel was tevens uitgerust
met een knopje waardoor je meerdere lensopeningen naar believen
kon gebruiken. Maar nog altijd zat je dan met het probleem hoe
lang je een foto moest belichten om die ook precies juist
belicht te krijgen. Daarvoor kocht je een losse
belichtingsmeter, stelde je dat ding in op (bijvoorbeeld) 1/250
seconde en belichtte daarmee van dichtbij o.a. een groepje te
fotograferen personen. Dan kon je op de belichtingsmeter
aflezen, dat je in dat geval een lensopening 5,6 moest
gebruiken.
Losse flitsapparaten
Tezelfdertijd kwamen, vrij ver na 1945, de
eerste losse flitsapparaten in de handel die je op je
fototoestel vastzette en met een kabeltje aan je toestel verbond
om automatisch te kunnen flitsen. De lampen voor eenmalig
gebruik waren net zo groot als een ouderwetse grote gloeilamp
met dezelfde schroefdraadaansluiting. De ‘inhoud’ van de lamp
bestond uit een soort wit 'spinnenweb' met een blauwe vlek in
het midden; na de flitsopname was het 'spinnenweb' verdwenen.
Helaas was die flitslamp niet al te lang houdbaar. Als die
blauwe vlek een roze vlek was geworden kon je de lamp wel
weggooien, want dan was hij niet meer betrouwbaar. Gelukkig
werden er in die tijd niet veel foto’s achter elkaar gemaakt.
Als je in een feestzaal foto’s maakte kon je maar twee
flitsfoto’s na elkaar maken, want in elke jaszak paste maar één
flitslamp! Je was dan verplicht om twee nieuwe lampen uit je
voorraad te halen.
Sepia
De nog uitsluitend zwart/wit foto’s kon je
alleen maken bij goed daglicht, want de fotorolletjes waren in
de begintijd 'langzaam', dus bij minder licht lukte het zeker
niet een foto uit de hand te maken omdat de lens zowat een halve
seconde open moest blijven staan. Nou zeg ik wel zwart/wit
foto’s, maar doorgaans werden de plaatjes in die begintijd
afgedrukt in sepiabruin en altijd voorzien van een kartelrand.
Tijdrovende voorbereiding
Adembenemende schoonheid van flora en fauna
Tot ver na 1945 kon je -
alleen binnenshuis - foto’s onder minder goede
lichtomstandigheden maken. Je had dan wel een 'flitsapparaat' nodig dat je
zelf moest maken en waarvan de bediening een hoop rompslomp met
zich meebracht. Daarvoor nam je een stuk glimmend blik dat je
tot een L-vorm omboog, vervolgens plaatste je onder het liggend
vlak een handvat en naast het liggend vlak vastgezet, een
aansteker. Bij het maken van een 'flitsopname' moest je eerst je
fototoestel op een driepoot plaatsen en op het platte blikken
vlak een bergje magnesiumpoeder leggen. Dan was het “lens open”,
het magnesiumpoeder tot ontbranding brengen met de aansteker
(wat gepaard ging met een flits en een enorme rookwolk), “lens
dicht” en voilà, een bruikbare en hopelijk redelijk goed
belichte foto bij slecht licht of in het donker gemaakt, was het
resultaat.
Volgende (6)
»
Omhoog
^^
« Vorige (4)